Het betrekkelijk voornaamwoord wordt in het Duits “das Relativpronomen” genoemd en vind je in de betrekkelijke bijzin. Het verwijst naar een of meerdere woorden in de hoofdzin. De hoofdzin is het zinsdeel voor de komma. Het woord waarop het voornaamwoord betrekking heeft, noemen we het antecedent. De naamval van het betrekkelijke voornaamwoord wordt bepaald door de rol die het speelt in de betrekkelijke bijzin. In dit artikel bekijken we hoe we de naamval van betrekkelijke voornaamwoord kunnen bepalen.

Betrekkelijk voornaamwoord voorbeelden

Das Mädchen, das du gesehen hast, ist meine Freundin.

Das is hier het betrekkelijk voornaamwoord en het heeft betrekking op de hoofdzin, het gedeelte voor de komma, “Das Mädchen”. Om erachter te komen in welke vorm het betrekkelijk voornaamwoord staat hebben we het geslacht nodig en moeten we erachter komen in welke naamval gebruikt moet worden. Het geslacht kunnen we vinden door te kijken naar het woord waarnaar het betrekkelijk voornaamwoord verwijst. In dit geval is dat onzijdig. Vaak is het lastig om gelijk te zien in welke naamval de betrekkelijke bijzin staat. Daarom kan het handig zijn om van de bijzin een hoofdzin te maken. In plaats van het betrekkelijk voornaamwoord te gebruiken, gebruik je het onderwerp van de zin, dat waarnaar het betrekkelijk voornaamwoord verwijst:

Du hast das Mädchen gesehen.

Nu zien we dat “das Mädchen” de rol heeft van lijdend voorwerp. Dat betekent dat we hier de vierde naamval moeten gebruiken voor het betrekkelijk voornaamwoord.

 

Der Mann mit .. ich schreibe ist mein Vater.

We maken eerst een hoofzin:

Ich schreibe mit dem Mann

In dit geval hebben we te maken met een voorzetsel dat de derde naamval krijgt, namelijk mit. Als we dit toepassen op de betrekkelijke bijzijn krijgen we:

Der Mann mit dem ich schreibe ist mein Vater

Voorbeelden van betrekkelijke bijzinnen in de tweede naamval

Meine Nachbarin, deren Nahme ich vergessen bin, ist krank.

In het Nederlands staat hier, Mijn buurvrouw, wiens naam ik vergeten ben is ziek. Wiens, betekent eigenlijk ‘van wie’. Bij een ‘van..’  constructie hebben we te maken met de tweede naamval. In het Duits ziet dat er zo uit:

 

Wiens:

mannelijk: dessen,

vrouwelijk: deren,

onzijdig: dessen,

meervoud: deren

Onthou dus dat wanneer je ‘wiens’ of ‘wier’  tegenkomt in een zin, je altijd te maken hebt met de tweede naamval.