Misschien ga je binnenkort op stage in Duitsland. Of je bent je aan het voorbereiden voor je Duits mondeling. Het is altijd handig om een aantal standaardzinnen uit je hoofd te leren die je kunnen helpen een goed gesprek in het Duits te voeren. Hoe voer je nu eigenlijk een goed gesprek in het Duits?  Het is belangrijk om te weten met wie je spreekt. De Duitse cultuur heeft een meer hiërarchisch karakter dan de Nederlandse cultuur. Iemand die je niet goed kent of iemand met een bepaalde autoriteit zal liever met Sie en Herr/Frau + achternaam worden aangesproken dan met du + voornaam worden aangesproken. Klas of studiegenoten daarentegen spreek je met du aan. Verder is het verstandig om een aantal zinnen paraat te hebben die je kunt gebruiken als je iets niet goed verstaan hebt of als je gesprekspartner even niet goed begrijpt. Zo kom je tijdens het gesprek niet voor verrassingen te staan. In dit artikel presenteren we je een aantal eenvoudige voorbeeldzinnen die je kunt oefenen om goed voorbereid een gesprek in het Duits te kunnen voeren.

Als je vast loopt tijdens je Duits mondeling:

Het kan zijn dat je even vastloopt tijdens je Duitse mondeling, misschien omdat je zenuwachtig bent, of omdat je je gesprekspartner niet goed hebt verstaan of deze niet goed begrijpt. Los dit dan op door de volgende zinnen te gebruiken:

Ik begrijp niet wat u bedoelt

Ich verstehe nicht, was Sie meinen.

Ik heb u niet goed verstaan

Ich habe Sie nicht richtig verstanden.
Kunt u iets langzamer praten? Können Sie etwas langsamer sprechen?
Ik heb het niet goed begrepen, kunt u het nog eens herhalen? Ich habe es nicht richtig verstanden, können Sie es noch mal wiederholen?

 

Jezelf voorstellen:

Als je iemand voor het eerst ontmoet is het eerste wat je doet jezelf voorstellen. In het Duits, kun je dat op de volgende manieren doen:

Naar iemands naam vragen:

Goedendag, mijn naam is / ik heet/ Ik ben …

Gutentag, mein Name ist /  ich heiße / Ich bin …

Hoe heet u? / Hoe heet jij? Wie heißen Sie? / Wie heißt du?
Wie bent u ? Wie ben jij?  Wer sind Sie? Wer bist du?

 

Vragen hoe het met iemand gaat:

Een logisch vervolg van het gesprek is vragen hoe het met iemand gaat. Hieronder lees je hoe je dit kunt doen:

Hoe gaat het met u / jou?

Wie geht es Ihnen? /  Wie geht es dir?

Heel goed, bedankt ! Sehr gut! Danke  /  Ganz gut! Danke
Helaas voel ik me niet zo goed Leider  fühle ich mich nicht wohl

 

Vragen waar iemand vandaan komt:

Waar komt u vandaan? / waar kom je vandaan?

Woher kommen Sie? / Woher kommst du?

Waar woont u? / Waar woon je?  Wo wohnen Sie? / Wo wohnst du?
Ik kom uit .. Ich komme aus …
Dat ligt in het westen/oosten/noorden/zuiden van Nederland Das liegt im Norden/Süden/Osten/Westen von den Niederlanden
Dat ligt in de buurt van Amsterdam Das liegt in der Nähe von Amsterdam

 

 

Iemand iets vragen:

Als je in een vreemde stad in een Duitstalig land bent, zul je deze zinnen vaak nodig hebben. Leer ze uit je hoofd!

Pardon, mag ik u iets vragen?

Entschuldigung, darf ich Ihnen etwas fragen?

Is hier een bank in de buurt? Ist hier eine Bank in der Nähe?
Hoe ga ik naar het station? Wie komme ich zum Bahnhof?
Gaat u rechtdoor Gehen Sie geradeaus
Bij de rotonde rechts Bei der Kreisverkehr rechts
Bij het stoplicht links Bei der Ampel links

 

 

Vertellen over je familie:

Tijdens een Duits gesprek kun je wat vertellen over je familie. Bijvoorbeeld over de gezinssamenstelling, hoe je woont of wat je ouders doen.

Ik heb twee oudere broers, ze zijn twee en vier jaar ouder dan ik.

Ich habe zwei ältere Brüder, sie sind zwei und vier Jahre alter als ich.

Wij wonen in een rijtjeshuis Wir wohnen in einem Reihenhaus
Wij wonen op een boerderij Wir wohnen auf einem Bauernhof
Mijn vader is huisarts Mein Vater ist Hausarzt
Mijn moeder is tandarts Meine Mutter ist Zahnärztin

 

 

Vertellen over je hobbies

Ik speel graag tennis

Ich spiele gern Tennis

Ik zit op voetbal Ich spiele Fußball
Ik doe aan waterpolo Ich mache Wasserball.
Ik lees graag historische boeken ich lese gern historische Bücher
Ik ben geinteresseerd in sterrenkunde Ich interessiere mich für Astrophysik

 

 

Iemand uitnodigen

Heb je zin om mee te naar de bioscoop te gaan?

Hast du Lust, ins Kino zu gehen?

Zullen we uit eten gaan? Sollen wir essen gehen?
Zullen we wat gaan drinken?
Gehen wir etwas trinken?

 

 

Het gesprek afsluiten

Het is belangrijk om een gesprek op een goede manier te starten, maar het is net zo belangrijk om een gesprek op een juiste manier te beëindigen.

Ik wens u nog een fijne dag!

Ich wünsche Ihnen noch einen schonen Tag

Het was leuk om met u gesproken te hebben Es war schön, mit Ihnen gesprochen zu haben.
Tot ziens /  doei! Auf wiedersehen /tschüß