Naast onbepaalde en bepaalde lidwoorden hebben ook voorzetsels een naamval. Voorzetsels vind je vaak in de buurt van een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord. Sommige voorzetsels hebben een vaste naamval en andere voorzetsels krijgen of de ene naamval of de andere. Die voorzetsels noem je keuzevoorzetsels. Iedereen kent de bekende rijtjes wel die uit het hoofd geleerd moesten worden, maar hoe bepalen we welke naamval een keuzevoorzetsels krijgt? Met behulp van Euroglot Translator laten we zien welke voorzetsels welke naamval krijgen en zie je voorbeeldzinnen voor iedere naamval.

Deze voorzetsels krijgen altijd de derde naamval:

Aus, bei, mit, nach, von, zu, seit, ausser, gegenuber, entgegen

Voorbeelden met derde naamval voorzetsels:

Aus:

Het meisje loopt uit het huis.

Das Mädchen lauft aus dem Haus.


Bei:

Gisteren was ik bij mijn vriend

Gestern war ich bei meinem Freund


Mit:

Ga je met de trein?

Fährst du mit der Bahn?


Seit:

Sinds een jaar woont hij alleen.

Seit einem Jahr wohnt er allein.


Nach:

Na een week ben ik teruggekomen.

Nach einer Woche bin ich zurückgekommen.


Von:

De bladeren vallen van de bomen.

Die Blätter fallen von den Bäumen.


Deze voorzetsels krijgen altijd de vierde naamval:

Bis, durch, für, gegen, ohne, um, entlang

Voorbeelden met vierde naamval voorzetsels:

 

Für:

Ik heb het boek voor mijn vriend meegebracht.

Ich habe das Buch für meinen Freund mitgebracht.


Durch:

Ik loop door het bos.

Ich laufe durch den Wald


Um:

Ik maak me zorgen om mijn vader.

Ich mache mich Sorgen um meinen Vater


Entlang:

Ik loop langs het strand

Ich laufe den Strand entlang.


Ohne:

Zonder mijn vader ga ik niet weg

Ohne meinen Vater gehe ich nicht weg


Gegen:

Met je rug tegen de muur.

Mit deinem Rücken gegen die Wand.


Keuzevoorzetsels: Voorzetsels die soms de derde en soms de vierde naamval krijgen.

An, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor, zwischen

Sommige voorzetsels krijgen in het Duits of de derde of de vierde naamval. Iets dat we in het Nederlands niet kennen. Deze voorzetsels noem je keuzevoorzetsels. Hoe bepaal je welk voorzetsel welke naamval  krijgt? Dit doe je door naar het hele werkwoord + het voorzetsel te kijken:

  • Gaat het om een plaats of een tijdstip? Gebruik dan de derde naamval.
  • Is er iets in beweging of verplaatst het zich van A naar B? Gebruik dan de vierde naamval.

Voorbeeld:

Ik leg mijn boek op de tafel.

Het werkwoord + voorzetsel is hier liggen op. Als je iets ergens op legt beweegt iets van A naar B. Er is dus sprake van een beweging. Gebruik dus de vierde naamval.

Mijn boek ligt op de tafel.

Bij deze zin kijken we weer naar het hele werkwoord + voorzetsel. Ook hier vinden we weer liggen op. Echter, nu ligt het boek stil op de tafel. Er is dus sprake van een plaats en dus moet hier de derde naamval worden gebruikt.