Hoe moet je zwakke werkwoorden vervoegen in het Duits tegenwoordige tijd?

Net als in het Nederlands veranderen zwakke werkwoorden in het Duits niet van klinker in de verleden tijd. In dit artikel leer je hoe je zwakke werkwoorden kunt vervoegen in de tegenwoordige tijd.  Bij het vervoegen van een zwak werkwoord gaan we eerst op zoek naar de stam van het werkwoord. Als voorbeeld nemen het werkwoord “kaufen”. De stam van het werkwoord vind je door -en van het werkwoord af te halen. Wat achter de stam staat noemen we de uitgang. In het Nederlands kennen we de vormen ik, jij, hij/zij/het/u, wij, jullie, zij. De vorm “U” hoort daarbij in het Nederlands tot de derde persoon enkelvoud. In het Duits is “u” echter een meervoudsvorm:

ich kauf-e
du kauf-st
er/sie kauf-t
wir kauf-en
ihr kauf-t
sie/Sie kauf-en

Een aantal voorbeelden van zwakke werkwoorden zijn:

reisen

De s klank bij du

Als de stam eindigt op een s, sj of st klant komt er bij du in plaats van -st alleen een -t als uitgang.

ich reis -e
du reis -t
er/sie reis-t
wir reis-en
ihr reis-t
sie/Sie reis-en

 laufen

ich lauf –e
du läuf –st
er/sie läuf-t
wir lauf-en
ihr lauf-t
sie/Sie lauf-en

kaufen

ich kauf –e
du kauf –st
er/sie kauf-t
wir kauf-en
ihr kauf-t
sie/Sie kauf-en

machen

ich mach –e
du mach –st
er/sie mach-t
wir mach-en
ihr mach-t
sie/Sie mach-en